March 20 | Amersfoort

Church Celebration
14:00 – 16:00, Gereja Bethany, Hoofddorp


March 25 | Amsterdam

CoG Meeting
10:30 – 14:00,  De Ark, Amersfoort


March 28 | Amsterdam

Church Celebration
14:00 – 16:00, Gereja Bethany, Hoofddorp


De Talenten

Het spreken in gelijkenissen (parabels) was voor Jezus een volkomen natuurlijke manier van spreken, en was kenmerkend van zijn stijl van leren. Aan het begin van het Evangelie naar Markus – nadat Jezus maar net begonnen was met zijn bediening – staat dat Jezus “alleen in gelijkenissen tegen hen sprak”. Het moet ons dus duidelijk zijn dat, wanneer we het denken van Jezus zelf willen begrijpen, we geen beter studieobject kunnen vinden dan zijn gelijkenissen. Wij mogen deze gelijkenissen grondig bestuderen met een open verstand en hart – open om te leren en open om vreugde toe te laten.
Bijbel

Hij hield hun een andere gelijkenis voor:

De gelijkenis van 'De Talenten'

Verhaal (Matteüs 25: 14 - 30)

"Het is als met iemand die op reis ging. Hij riep zijn dienaars bij zich en vertrouwde hun zijn eigendommen toe. Aan de ene gaf hij vijfduizend goudstukken, aan een andere tweeduizend en aan een derde duizend; ieder kreeg wat hij aankon. Toen vertrok hij. Onmiddellijk ging de dienaar die vijfduizend goudstukken had gekregen, er zaken mee doen en hij verdiende er vijfduizend bij. Zo deed ook de tweede en hij verdiende er tweeduizend bij. Maar de dienaar die duizend goudstukken had gekregen, ging een gat graven en verstopte het geld van zijn heer daarin.

Een hele tijd later keerde de heer van die dienaars terug en hij riep hen ter verantwoording. De dienaar die vijfduizend goudstukken had gekregen, kwam naar hem toe en overhandigde hem er nog vijfduizend: Heer, u hebt mij er vijfduizend gegeven, kijk, ik heb er nog vijfduizend bijverdiend. Uitstekend, zei zijn heer. Je bent een goed en trouw dienaar. Iets kleins heb je goed beheerd, nu zal ik je over iets groots aanstellen. Kom binnen en vier feest met mij. Toen kwam de dienaar die er tweeduizend had gekregen: Heer, u hebt mij er tweeduizend gegeven, kijk, ik heb er tweeduizend bijverdiend. Uitstekend, zei zijn heer. Je bent een goed en trouw dienaar. Iets kleins heb je goed beheerd, nu zal ik je over iets groots aanstellen. Kom binnen en vier feest met mij. Toen kwam ook de man die er duizend had gekregen: Heer, ik weet dat u streng bent; u maait waar u niet gezaaid hebt, en u oogst waar u niet hebt uitgezet. Ik was bang en ben daarom uw geld in de grond gaan verstoppen. Hier hebt u het weer terug. Jij slechte, luie dienaar! Antwoordde zijn heer hem. Je wist dus dat ik maai waar ik niet gezaaid heb, en oogst waar ik niet heb uitgezet. Waarom heb je mijn geld dan niet op de bank gezet? Dan had ik het bij mijn thuiskomst met rente kunnen opvragen. Neem hem die duizend goudstukken af en geef ze aan hem die er al tienduizend heeft! Want iedereen die iets heeft, krijgt nog meer en heeft overvloed. Maar wie niets heeft, hem zal wat hij heeft nog worden afgenomen. En gooi die nutteloze dienaar eruit, de duisternis in! Daar zal hij huilen en knarsetanden!"

De gelijkenis van de zilverstukken ( Lucas 19: 11 - 27)

Jezus vertelde de mensen die naar hem luisterden, nog een gelijkenis. Want hij was nu dicht bij Jeruzalem en ze dachten dat het koninkrijk van God wel gauw werkelijkheid zou worden. Dit zei hij: "Een edelman vertrok naar een ver land om tot koning gekroond te worden en daarna weer naar huis terug te keren. Hij riep tien van zijn dienaars en gaf hun ieder een zilverstuk ter waarde van een pond. Doe er zaken mee zolang ik weg ben, zei hij. Maar de mensen van zijn land haatten hem en stuurden een afvaardiging achter hem aan met de boodschap: Wij willen niet dat deze man koning over ons wordt. Toen de edelman tot koning was gekroond, keerde hij terug. Meteen liet hij de dienaars aan wie hij het geld gegeven had, bij zich roepen: hij wilde weten wat voor zaken elk van hen gedaan had. De eerste kwam en zei: Majesteit, met u zilverstuk heb ik er tien bijverdiend. Uitstekend gedaan, je bent een goed dienaar, antwoordde de koning. Omdat je een kleine som goed hebt beheerd, krijg je het bestuur over tien steden.

Majesteit zei de tweede, met uw zilverstuk heb ik er vijf bijverdiend. Jij krijgt het bestuur over vijf steden, antwoordde de koning hem. De derde zei,: Majesteit, hier is uw zilverstuk; ik heb het veilig weggestopt in een doek. Want ik was bang voor u, omdat u een streng man bent. U neemt wat u niet hebt uitgezet, u maait wat u niet hebt gezaaid. De koning antwoordde hem: Jij bent een slecht dienaar, je veroordeelt jezelf met je eigen woorden. Je wist, dat ik een streng man ben, dat ik neem wat ik niet heb uitgezet, dat ik maai wat ik niet heb gezaaid? Waarom heb je mijn geld dan niet naar de bank gebracht? Dan had ik bij mijn terugkomst het er met rente af kunnen halen! En hij beval zijn mannen: Neem hem zijn zilverstuk af, en geef het de man die er tien heeft. Majesteit, zeiden ze, die heeft er toch al tien! De koning zei: Ik zeg jullie: aan wie heeft, zal gegeven worden en wie niet heeft, hem zal worden afgenomen zelfs wat hij heeft! Maar zij die mij niet als koning wilden, mijn vijanden, breng ze hier en dood ze voor mijn ogen."

Iedereen is belangrijk voor God. Iedereen kan iets en het maakt niet uit wat je kunt, als je maar je best doet. Hierover gaat het volgende verhaal dat Jezus ons vertelt.

Er was een rijke man. Hij woonde in een mooi en groot huis. Hij had drie mensen die voor hem werkten. Op een dag liet hij ze alledrie bij zich roepen en vertelde hen dat hij voor een langere tijd op reis ging. Hij wist niet hoelang hij weg zou blijven.
Ik geef jullie allemaal een deel van mijn geld. Ik vraag jullie om er iets goeds mee te doen, in de tijd dat ik weg ben.

De eerste dienaar kreeg vijf zakken vol met talenten. Zo noemden de mensen de geldstukken vroeger. De tweede dienaar kreeg twee zakken en de laatste dienaar kreeg er een. Je mag zelf weten wat je er mee doet, maar gebruik het goed, zei de man nog een keer en toen vertrok hij.

De eerste dienaar liep een tijdje rond met het geld en bedacht wat hij er mee zou kunnen doen. Uiteindelijk wist hij het. Hij kocht er graan voor en dat zaaide hij op het land. Zijn oogst was zo groot en hij kon het graan zo goed verkopen dat hij een flinke winst maakte.

De tweede dienaar had ook een plan bedacht. Hij had een aantal schapen gekocht en hij zorgde heel goed voor deze schapen. Hij kreeg veel lammetjes. Hij maakte kaas en melk. Ook de wol van de schapen verkocht hij. Ook hij verdiende veel geld.

Maar de derde dienaar deed helemaal NIETS! Hij was boos en ontevreden. Waarom had hij minder gekregen? Waarom zou ik eigenlijk gaan werken, de baas is er toch niet. Ik stop het wel weg, dan kan er niets mee gebeuren. De baas kan dan ook niet boos worden als ik een verkeerde beslissing neem en minder geld terug kan geven.

Na een lange tijd kwam de man weer thuis. Al gauw zag hij de eerste dienaar die bezig was op het land. De dienaar vertelde aan de man dat hij hem nu tien zakken vol met talenten kon geven. De rijke man was hier heel blij mee en zei tegen de dienaar: "Je bent een goede en een trouwe dienaar. Daarom mag je op mijn feest komen. Kom en ga mee!"

Al snel kwam hij ook de tweede dienaar tegen. Hij had twee zakken gekregen en kon er nu vier terug geven. De man was erg tevreden en ook deze dienaar mocht van hem op het feest komen.

De derde dienaar moest hij bij zich roepen. Deze kwam binnen met 1 zak vol geld. Kijk baas, hier heeft u uw geld terug. Ik heb het in de grond gestopt. Zo kon ik er niets van verliezen. De man werd nu boos: "Jij bent een slechte dienaar! Ik zal jouw geld geven aan een veel betere dienaar. Jou gooi ik eruit. Jij mag niet op mijn feest komen!"

Uitleg van Matteüs 25: 14 – 30, Lucas 19: 11 – 27

Deze gelijkenis kan men vinden in Matteüs en in Lucas. De kern waar het om gaat is in beide gelijkenissen het zelfde. Het verschil zit hem in de gebruikte woorden. Dit valt te verklaren vanuit het feit dat ze het verhaal allebei op een ander moment hebben gehoord. Jezus heeft het verhaal vaker vertelt, andere meerdere groepen, maar met wat andere woorden, maar een identieke kern.
Het kan ook zijn dat ze het verhaal zo hebben geïnterpreteerd of het verhaal hebben aangehoord en het bij het opschrijven zo hebben herinnerd.

De kern van het verhaal ligt erin dat er geen lid is in de gemeente die je niet nodig bent. Iedereen is waardevol voor God en iedereen kan iets bijzonders. Het gaat erom dat je trouw bent aan God, dat je je inzet, dat je je best doet. Iedereen is daar ook eigen in, het gat om wat je zelf doet. Het heeft niets te maken met hoe slim je bent, hoe goed je iets kunt, maar dat je je inzet voor God naar je eigen vermogen, dat telt!

De talenten waar Matteüs over spreekt zijn een kapitaal waard. Dit in tegenstelling tot hetgeen waar Lucas over spreekt. Dit is maar 1/5 waard van de talenten waarover Matteüs spreekt.

De heer die op reis gaat heeft meer dan drie slaven, maar deze drie slaven dienen als voorbeeld. Ze krijgen 5, 2 of 1 talenten, zakken met geld. Omdat talenten veel waard zijn spreekt daaruit dat de heer veel vertrouwen heeft in zijn slaven.

De eerste slaaf heeft een winst gemaakt van 100%. Hij heeft nog vijf zakken erbij verdiend. Dat is ook het enige wat hij zegt. Hij vertelt niets over de tegenslagen, de overwinningen, het harde werken. De heer reageert met een bravo en nodigt hem uit op het feest. Eveneens hetzelfde gebeurd bij de tweede slaaf die ook een 100% winst heeft gemaakt.

De heer gaf een ieder naar zijn kunnen, maar het mooie van deze gelijkenis is dat ook de tweede slaaf een 100% winst heeft gemaakt. Hiermee laat hij ook zien dat iemand die zich middelmatig acht een evengoed resultaat kan bereiken, als men zich maar trouw aan zijn werk wijdt. God kan iedereen gebruiken in zijn rijk. Een grotere gave brengt ook meer verantwoordelijkheid mee.

De derde slaaf is iemand zonder vertrouwen en geloof in de Heilige Schrift. Deze slaaf vindt dat hij de opdracht goed genoeg volbrengt met het verstoppen van het geld. Hij durft helemaal niet met het geld te handelen. De slaaf begint zich ook te verdedigen, want zo zegt hij tegen zijn meester dat hij maait, waar hij niet gezaaid heeft. De slaaf zegt hiermee eigenlijk u laat u slaven werken en profiteert er zelf van. Ik pas daar voor. Ik niet werken voor een anders voordeel. Ik stop het in de grond en daarmee uit. Deze slaaf stelt de wettische mensen voor die denken dat ze het al goed genoeg doen wanneer ze alleen al geen kwaad doen. Ze bemoeien zich nergens mee en zijn erg bang.

Deze slaaf had het geld niet naar de bank gebracht en dat maakt de slaaf ook lui. Want hij zegt zelf dat zijn meester streng is, dus dan zou je verwachten dat hij dubbel zo hard zou werken. Dat hij lui is spreekt uit het feit dat hij het niet naar de bank bracht, want een bank werkte in die tijd anders. Je moest er vaak heen om te controleren of het goed ging met je geld en of het er nog was en steeds blijven aandringen. Dat kostte dus inspanning, die de luie slaaf niet eens nam.

Hij blijft zichzelf schoon praten. Hij blijft uitvluchten zoeken voor zijn gedrag en dan zegt de meester dat wat hij heeft hem zal worden afgenomen. Deze uitspraak lijkt heel hard, maar het heeft een boodschap. Je moet er zelf wat voor doen om meer te krijgen. Want je moet niet blijven stilstaan, wat niets doen betekent. Je moet juist doorgaan, je blijven ontwikkelen, vooruit willen gaan, want anders wordt wat je nog hebt je nog afgenomen.

Over talenten en dienstbaarheid nagedacht

Wat is nu eigenlijk dienstbaarheid?

In de bijbel is er één persoon die het perfecte voorbeeld geeft aangaande dienstbaar zijn.
Die persoon heet uiteraard Jezus.
In het tweede hoofdstuk van de Fillipenzenbrief wordt hier het volgende over gezegd:

Fillipenzen 2:5-8
Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was, die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises.

Waar staat dat Jezus de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, kan dit eigenlijk ook vertaald worden met het woord “Slaaf”.
Denk hier eens over na. Jezus is voor ons als slaaf gekomen.
In die tijd was een dienstknecht al niet veel. Je was volkomen onderworpen aan je meester of heer, waarvoor je werkte. Maar, je werd er nog voor betaald, wat aangeeft dat je nog een keuze hebt om wel of niet te doen wat die heer van je vraagt.
Een slaaf, was volledig eigendom van zijn/haar eigenaar. Deze had dus niets in te brengen tegen zijn/haar meester. Ze hadden géén rechten. Ze dienden slechts hun meester.
Wie was de heer en meester van de slaaf Jezus?
Dat zijn wij! Hij diende de mensheid in de zelf gekozen rol van slaaf. Nu hebben wij natuurlijk geen zeggenschap over Jezus, maar het gaat hier om het begrip dienen.

Hoe moeten wij dan dienen?

Dezelfde Fillipenzen brief zegt hierover het volgende in hoofdstuk Fill 2:1-4 Indien er dan enig beroep (op u gedaan mag worden) in Christus, indien er enige bemoediging is der liefde, indien er enige gemeenschap is des geestes, indien er enige ontferming en barmhartigheid is, maakt (dan) mijn blijdschap volkomen door eensgezind te zijn, één in liefdebetoon, één van ziel, één in streven, zonder zelfzucht of ijdel eerbejag; doch in ootmoedigheid achte de een de ander uitnemender dan zichzelf; en ieder lette niet slechts op zijn eigen belang, maar ieder (lette) ook op dat van anderen.

Hoe is dit bij ons? Zijn wij volkomen eensgezind? Zijn wij zonder zelfzucht? Achten wij de ander uitnemender dan onszelf? Meestal niet.
Waar het hier bij ons meestal om draait is het woord “Status”. Wij willen vaak aanzien, en dus de taken en bedieningen vervullen waarmee we dat kunnen krijgen.

Als wij elkaar met respect zouden behandelen alsof de ander een hogere status zou hebben in het koninkrijk van God, dan pas kunnen we hen goed dienen.
Daarmee stel je jezelf namelijk onder die persoon, waadoor je de juiste houding aanneemt.
Een echte dienaar zorgt namelijk eerst voor anderen, en dan pas voor zichzelf. De kern ervan is je leven voor een ander te leven. Dat is het soort leven dat Jezus leidde, en daartoe zijn ook wij geroepen.

Hoe doen we dat dan?
Heel simpel. Doe wat nodig is voor een ander. Huil met ze. Knuffel ze. Lach met ze. Geef ze te eten. Maai hun gras. Help ze met klusjes in huis. Etc. etc.
Dienen betekent doen wat er maar nodig is om anderen te helpen hun problemen de baas te worden, en te groeien in kracht en geloof.
Het is net als met kinderen. Niemand is er gek op om luiers te verschonen. Maar toch doet iedereen het een tijd, omdat je weet dat er een moment komt dat het niet meer nodig is.
Je doet het uit liefde voor die baby, en uit de wetenschap dat die baby hulpbehoevend is.

Wij moeten onze naaste liefhebben, en als ze dus hulp nodig hebben, moeten wij hen die verlenen. Dit geldt uiteraard niet alleen voor gemeenteleden, maar ook of juist voor niet-gemeenteleden.
Alleen, net zoals bij de vereisten voor de benoeming van een ouderling, voorganger etc. geldt ook hier dat je éérst je eigen gezin op orde moet hebben. Nu zijn wij als gemeente óók een gezin. En dus moeten we er tenminste voor zorgen dat de dienende houding binnen de gemeente goed functioneert!

Wanneer dit goed functioneert, dan wordt dit voor alle gemeenteleden vanzelf een levensstijl, wat ongemerkt ook doorwerkt naar zaken buiten de gemeente.
Op die manier wordt het dienstbaar zijn, ongedwongen, zonder een houding van “kijk eens hoe goed ik wel niet voor je ben”, zonder iedereen te vertellen dat je iemand helpt.
Helpen doe je zonder bijbedoelingen. Verwacht er niets voor terug. Geen geld, geen bedankjes, geen eer, geen status. Doe het omdat het nodig is, en omdat Jezus het ook zo zou doen.

Nu zal niet iedereen de talenten hebben om degenen die hulp nodig hebben, om de juiste manier te helpen. Daarom hebben we ook allemaal andere talenten, gaven gekregen.
Door die verschillende talenten, kunnen we ook alle dingen die gebeuren moeten verdelen onder elkaar, zodat niet alles door dezelfde mensen gedaan hoeft te worden.
Dus als er hulp nodig is die jezelf niet kan bieden, vraag dan zélf op een discrete manier aan een ander om te helpen hulp te bieden.

De gelijkenis van de talenten in Mattheus 25 toont aan dat de Meester er niet van houdt wanneer iemand zijn talenten niet gebruikt. De eerste twee knechten beloont hij op dezelfde manier, ongeacht het verschil in resultaat. Hij waardeert vooral hun trouw.
De derde knecht was bang voor de meester, en deed daarom niets. De meester nam daarom af wat hij had.

Hetzelfde gebeurt nu nog steeds. Sommige mensen gebruiken hun talenten niet, omdat ze bang zijn te falen, of omdat ze bang zijn voor wat de mensen er van zullen zeggen.
Wees niet zo! Op die manier zul je je talent verspelen. Jezus heeft ons allemaal iets gegeven, om elkaar mee te kunnen dienen, zodat we elkaar dus nodig hebben.
De één krijgt weliswaar meer talenten dan de ander, maar dat betekent niet dat de één of de ander méér of minder verantwoording heeft hetgeen dat hij/zij heeft, goed te gebruiken. Wees dus een goed rentmeester over wat je hebt.

Ook hierbij is het zaak geen wereldse gedachten te koesteren bij het gebruik van je talenten. Verwacht geen bijzondere beloning voor het gebruik van je talenten. Immers de eerste twee knechten in de gelijkenis kregen dezelfde beloning, ondanks het verschil in resultaat!

Het belonen in het koninkrijk van God is anders dan in de wereld. God beloont trouw, volharding en inzet, maar alleen als het met de juiste houding gebeurt. Zet je in om anderen te helpen, en om het koninkrijk van God te verhogen. Niet om roem, eer en status te verkrijgen.
Weet van wie je je talenten hebt ontvangen, en wie je helpt. Zelf kunnen wij immers niets. Het is God die dóór ons heen werkt, en Hem komt dus de lof en eer toe van de werken.
God op zijn beurt beloont ons om onze trouw, niet om ons werk.

Kortom alles komt dus neer op de HOUDING waarmee je dient. De juiste houding is de houding die Jezus had bij het dienen. De houding die je hebt in deze kan je aflezen aan de manier waarop je omgaat met zaken als emoties zoals boosheid, angst, ambitie en zelfzucht. De vrucht van de Geest – liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing (Galaten 5:22)- vormt het karakter dat overeenkomt met het karakter van Jezus.

Worden als Jezus kan je nooit zonder de hulp van Jezus. God helpt ons daarbij, en daarom zijn wij hiervoor van Hem afhankelijk. Daarom heten bovenstaande zaken ook de vruchten van de Geest. Het is immers Zijn karakter dat in ons doorwerkt, wanneer wij aan Hem zijn toegewijd.
Heel vaak zijn wij als christen te veel gericht op de gaven, en niet op het karakter van de mens. De gaven/talenten die wij hebben worden of versterkt, of verzwakt door ons karakter.

Kijk maar naar het verschil in resultaten van de knechten in de gelijkenis van de talenten.

Het karakter van de mens is een proces dat steeds in ontwikkeling blijft. Daarom kunnen de gaven van de geest ook nooit boven de vruchten van de geest gesteld worden, omdat de mate van vrucht van de geest het succes van de gaven van de geest(talenten) bepaald.

Een belangrijk kenmerk van een vrucht is dat deze groeit. Ze bereiken hun rijpheid door een proces van ontwikkeling. Dit proces kan je niet of nauwelijks versnellen, en heeft dan ook gewoon de tijd nodig. Echter, met de juiste behandeling en houding ZAL het groeien.

Dus ook iemand die maar weinig talent heeft, zal de vrucht ervan zijn groeien, als je het maar gebruikt! Ook iemand met veel talent, kan dus niet meteen zeggen dat hij of zij volledige christelijke rijpheid heeft bereikt. Immers ook zijn of haar vrucht zal moeten groeien!

En aan de de vrucht herkent men de “rijpheid” ofwel de christelijke volwassenheid.
Vergeet bij dit alles niet dat degenen met veel talent dit alleen maar heeft gekregen om de ander te dienen. Hij of zij verdient daarmee niet meer of minder aanzien of zo.

Om weer terug te komen bij de baby met de vieze luier. Het is zo dat ook deze baby zal opgroeien, en op zijn beurt weer luiers zal verschonen van zijn/haar baby. Hij/zij groeit dus op naar volwassenheid om degenen die hulp behoeven weer te kunnen dienen.

Wat zijn dan kenmerken van een volwassen christen?

Een volwassen christen is een dienaar. Hij doet niets uit zelfzucht. Hij begrijpt dat het kenmerk van een dienaar is dat hij onderworpen is aan Gods wil. Hij doet dingen niet vóór God, nee, hij doet ze onder God. En hij verwacht niets terug voor zijn dienen. Als mensen hem teleurstellen ( en dat zullen ze zeker doen), zal de dienaar van God opstaan, zich naar God keren, Hem prijzen voor Zijn genade en vragen wat zijn volgende opdracht is.

Een volwassen christen rekent voor Gods aangezicht af met zijn zonden. Zoals Paulus zei: ‘Daarom doe ik mijn best om voor God en de mensen altijd een zuiver geweten te houden’ (Hand. 24:16). Berouw vereist nederigheid tegenover God en ten opzichte van broeders en zusters, die we verkeerd behandeld hebben. Hij moet ook weten hoe hij vergeving van God kan ontvangen. Het gevolg is een rein geweten, een juist zelfbeeld en nederigheid. Daarom onderscheidt een volwassen christen zich door rechtvaardigheid en door gedrag dat zelfs de schijn van onrecht vermijdt.

Een volwassen christen is open en eerlijk in zijn omgang met broeders en zusters. Hij is in staat openhartig met anderen te zijn, te delen wat God doet in zijn leven en niet bang om te falen of zwakheid toe te geven.

Een volwassen christen brengt zijn persoonlijke moeilijkheden bij God. In plaats van weg te rennen van pijnlijke situaties of persoonlijke nederlagen en zwakheden, ziet hij ze eerlijk onder ogen, brengt hij ze bij de Heer en vraagt om Zijn hulp. Als je de moeilijkheden eerlijk tegemoettreedt, zullen ze vaak veranderen in overwinning. In elk geval zal God ze gebruiken om het karakter van de christen verder te ontwikkelen.

Een volwassen christen is royaal. Hij is royaal met zijn tijd en geld omdat hij rentmeester is en weet dat niets zijn eigendom is maar dat hij verantwoording schuldig is aan God voor de bezittingen die hem zijn toevertrouwd. Hij is dus vrij om zijn rijkdommen te delen en niet bezorgd voor zijn persoonlijke levensbehoeften omdat hij weet dat God zal voorzien.

Een volwassen christen onderwijst anderen hoe ze een godsvruchtig leven kunnen leiden. Dit betekent niet dat hij een voorganger of zondagsschoolleider is, maar dat de manier waarop hij leeft en zijn vertrouwdheid met de waarheid van de Schrift anderen overtuigd van het Evangelie. Hij is altijd bereid om met anderen over Jezus Christus te praten, in het bijzonder met de verlorenen.

Een volwassen christen kan op een goede manier zijn verantwoordelijkheden aan. Als vader zorgt hij goed voor zijn gezin. Op zijn werk is hij betrouwbaar, eerlijk, en hardwerkend. In de kerk is zijn woord als een rots, een woord waar iedereen vertrouwen in heeft.

Een volwassen christen weet te gehoorzamen. Dit lijkt zo gemakkelijk, zo duidelijk, maar het wordt maar zelden onder christenen gezien tegenwoordig. Velen die God willen gehoorzamen, kunnen geen aanwijzingen aanvaarden van broeders en zusters die God boven hen geplaatst heeft. De volwassen christen wordt niet bedreigd door van God gegeven autoriteit, want hij is onderworpen aan Christus, en veilig onder Hem.

Een volwassen christen heeft een goede relatie met zijn broeders en zusters. Hij weet hoe hij hen kan bemoedigen en corrigeren, hij weet hoe hij moet herstellen wat verkeerd gegaan is en hoe hij relaties moet opbouwen die blijvend zijn. Hij wordt gekenmerkt door trouw aan broeders en zusters en is altijd op zoek naar het beste voor hen. Zijn tong heeft hij onder controle. Hij zorgt ervoor laster en roddel te vermijden. Het handhaven van de eenheid in het lichaam van Christus is één van zijn hoogste prioriteiten.

Een volwassen christen heeft zijn persoonlijk geestelijk leven goed op orde. Hij heeft een geregeld gebedsleven, kent de Schrift, is vrij in het aanbidden van God. Samengevat: hij heeft een open, dagelijkse relatie met de Vader, aan wie hij ieder gebied van zijn leven onderwerpt.

gelijkenis van 'Het huis op de rots'

Lees ook eens het document: Wat is een gelijkenis eigenlijk?

Handig Hulpmiddel: Een overzicht van de Gelijkenissen


Dylan de Bruin

"Het was zo'n lieve baby", zegt Dylans moeder als ze naar babyfoto's van haar zoon Dylan kijkt om even later te verzuchten dat ze nooit had gedacht eens doodsbang voor dit ventje te worden. In deze video deelt Dylan zelf zijn eigen verhaal.


- John Olsen -

What You Pray About Matters

Thesis:

Prayer, like any fire, needs fuel. We all pray for a purpose, often a presenting need about something that concerns us. However, much of what preoccupies us, the content of our praying, is determined by the changing world around us or some sense of spiritual warfare.

I contend that such prayer is inadequate, that it is, in fact, the essence of worldly praying. By that, I mean, it is world-obsessed, about-this-world praying. It is get-out-of-trouble praying. It is the praying of one who fears his house will not stand some storm – and that is faithless prayer. It reveals weak and rootless believers, prone to fear and relapse.

This is stunning language, perhaps, to most people who see prayer primarily, and in some cases, exclusively as spiritual wishing, as petition, as pleas to God for help.

An apostate church, full of cold or lukewarm people, rarely prays at all – not deeply, not with personal transformational in view.  The profile of America Christians by almost every measurement is that their prayer life is abbreviated, a few minutes daily, sporadic, often occurring on the run, and then obsessed with petition. A life of prayer characterized by communion with God is largely undeveloped. By many, perhaps the majority, it is not even attempted. We do microwave praying, not investing the time necessary to marinate in God’s presence. We engage in impatient praying, not waiting before God. We command and declare, decree and pronounce, not repenting and surrendering, not allowing the Holy Spirit to search our inner heart over open Bibles and shape attitudes and ideas into God’s image. It is God’s hand we seek to move, not His face we seek to see. We pray in faith, wanting God to please us, rather than being driven, even in the middle of some life calamity, to exhibit a life-disposition of faith to please Him. This is the higher role of faith (Hebrews 11:6).

The cares of our lives drive our prayers. They do not reflect a depth in prayer that prizes and relishes the value of eternal life, here and now. It is superficial prayer without roots reaching deep into Scripture. It lacks time for meditation in God’s Word and favors claiming one’s favorite verses and promises. We cherry-pick biblical passages, and that is a hermeneutical problem. Our preference for slices of truth, rather than the whole counsel of Scripture, results in an inadequate spiritual foundation insufficient for the storms of life.  Shallow lives are the consequence.

It matters that we do not pray the Scripture for its developmental impact on us. We squeeze its benefits out of it. Scripture praying is the primary means by which God grows us. Prayer, out of Scripture, over Scripture, in the light of the Spirit, enabled and anointed by the Spirit, is the way to most clearly hear from God and experience the power that enables inner change. Again, this is the Spirit and the Word converging in prayer before God’s Mercy Seat – and it is transformational.

Too many believers are hearing God only through their pastor or some teacher and not for themselves. They no longer recognize the voice of God – the same voice of grace that called them to salvation. This is dangerous. It produces weak and spiritually feeble Christians. They relate to the church, more than and sometimes instead of Christ; to the pastor, instead of God, the Father. As Protestants, we have forgotten the cornerstone of the Reformation, the priesthood of all believers, direct access to the Father through the Son, Jesus, and by the enabling of the Holy Spirit. Instead, we have reverted to the pastor as a priest, and to the church, rather than Christ Himself. The church is the bride of Christ, not Christ, and she is needy and sometimes less than healthy – she cannot do what only a relationship with Christ can do. A pastor is important as a teacher and under-shepherd, but pastors are mortal. We need a new reformation – a Christ-reformation.

The primary content of prayer should be Scripture. And when we do pray about the tribulations of the world and the assaults of Satan, such prayer should also be over an open Bible, searching for both wisdom and strength. The goal of prayer should be for the inner man to be strengthened and refined. The end of prayer is Christlikeness. It is “knowing Him, and the power of his resurrection, and the fellowship of his sufferings, becoming conformed unto his death” (Phil 3:10).

Summary:

  1. The content of our praying should be determined by Scripture.
  2. If all of your praying are prayer requests, content determined by living in a fallen world, it is, in fact, the essence of worldly praying.
  3. If your praying is out of fear, regarding some storm, it is often faithless prayer, rootless prayer.
  4. If your praying is on-the-run crisis praying, it is not adequate to develop a normal spiritual life as described in Scripture.
  5. You cannot set your standards by those of others in a season of apostasy, attending an apostate church, with a pastor who seems to be content with things and people the way they are, not calling for prayer and repentance.
  6. Healthy Christians pray when they don’t have to pray when there is no trouble, for the joy of God’s Presence.
  7. We are called to wait before God, to attend His Presence, to simply worship.
  8. We are to meditate on God’s Word, indeed, considering the whole counsel of God, not merely slices of truth that we prefer.
  9. Prayer is the primary means by which God disciples and develops us – over the Scripture and in the light of the Spirit.
  10. God wants you to know His voice, “My sheep hear My Voice” (John 10:27).
  11. God wants you to exercise your privilege, the priesthood of all believers, not only for yourself but also for others, particularly the lost.
  12. The end of prayer is Christlikeness.

In the ancient fairy tale, “Three Little Pigs,” the mother sent out her young sons to make their way in the world. They realized they needed houses and so they each constructed a shelter to protect them from the cruel and evil world. The first little pig chose to build his house out of cheap and convenient straw. Almost immediately, the integrity of his house was challenged and his life was in danger. His nemesis, the big bad wolf came and blew his house down. He escaped, according to one version, to the home of the second brother.

That brother was a bit more diligent. He had chosen to build his house of wood – sticks. They, too, were convenient and available. But the wolf also challenged the integrity of that house. He blew the house down, and then, the two brothers escaped to the home of the last brother. Each time, the wolf chanted the well-known proverbial phrase,

“Little pig, little pig, let me in,” the wolf intoned.

And each pig responded, “No, no, not by the hair on my chinny-chin-chin.”

And then the wolf threatened, “Then I’ll huff, and I’ll puff, and I’ll blow your house in.”

With the first two brothers, he was successful. Their houses collapsed, and their lives almost ended. The third brother chose to build his house, not of straw or sticks, but bricks – of stone. This time, the wolf threatened, but he failed to blow the house down. Failing to overpower the little pig’s house, he resorted to trickery, to deception. He attempted to lure the little pig out of the house of stone, out of his place of security, to meet him first at one location and then another, but the third pig was wise, discerning, and unresponsive to the wolf’s deceptive ploys. The wolf then resolved to gain access to the house and the little pig by descending the chimney. Again, the little pig outsmarted the wolf. He heated-up the fire, and as the wolf descended the chimney, he captured the wolf in a cauldron of boiling water and cooked him and ate him, turning the table on his enemy, making him a victim of his self-authored treachery.[1]

Satan, of course, is the wolf we face. And he is a formidable enemy. He comes, Jesus reminds us, to steal, kill, and destroy. Of what is your house built? What is the content of your prayer life? Is it the tyranny of the urgent, stuff related to this mortal, fleeting world – or the stuff of eternity?

Jesus warned about houses that would not endure storms because they had no foundation. They were inadequately constructed, built for the calm, and not for the storm. Is your house built of the perishable or the imperishable?  With wood, hay, and stubble?  Or with stone, precious stones, gold, and silver?  Is your house of prayer built from convenience, or is it constructed with costly prayer?  Is prayer an investment in eternal matters or a request for a loan from heaven to get out of some trouble?

When the wolf comes, and he is coming, will your house stand? Or will he huff and puff and blow your house down? Is the foundation adequate – is there depth in your prayer life? Or is your prayer life all about the superficial, the perishable, like stubble and sticks? Is it about the obvious, the apparent, but sadly, the eternally inconsequential?

This is no analogy – this is the real test of a life of prayer.

[1] The fable, Three Little Pigs, was a familiar bedtime story in my growing up years. It was first published in The Nursery Rhymes of England dated 1886 and again in English Fairy Tales, compiled by Joseph Jacobs and published on June 19, 1890.